Research


Onderzoek naar G.F. Handels Orgelconcerten Opus IV door Jan H. Siemons
Ton Koopman reconstrueerde "Singet dem Hern ein neues Lied' (BWV 190)
De Markus Passion volgens Ton Koopman...
Handschriftenonderzoek Bach-cantates (in voorbereiding)





.




Reconstructie BWV 190




"Singet dem Hern ein neues Lied' (BWV 190) is helaas incompleet overgeleverd. Bach voerde deze cantate op 1 januari 1724 voor het eerst uit. De autografe partituur die in Berlijn bewaard wordt (P 127) bevat alleen de delen 3 t/m 7, terwijl de stemmen alle delen bevatten (Berlijn St.88), maar onvolledig bewaard zijn We bezitten daarvan slechts de koorpartijen en de partijen voor viool 1 en 2.



Na de dood van C.Ph.E.Bach in 1790 worden zijn boeken geveild en blijkt het materiaal (toen al incompleet) in zijn bezit te zijn. De oorspronkelijke bezetting is wel bekend: koor, solisten, strijkers, 3 trompetten en pauken, 3 hobo's, fagot en basso continuo. Hoewel er pogingen geweest zijn om van BWV 190 de delen 1 en 2 te reconstrueren, heeft Nikolaus Harnoncourt ervan afgezien deze cantate op te nemen voor zijn Teldec Bach Cantate-serie. Omdat de mij bekende twee reconstructies voor modem orkest bedoeld zijn, in een andere stijl geschreven en op historische instrumenten niet uivoerbaar zijn, heb ik een nieuwe poging gewaagd.
Het advies van drie collega's uit het Amsterdam Baroque Orchestra was voor mij zeer belangrijk. Ik noem hen daarom graag met name en bedank hen hartelijk voor hun positieve hulp: Marcel Ponseele. Stephen Keavy en Jan Kleinbussink.



De reconstructie van deel 2, een recitatief met kleine koor-onderbrekingen, bleek eenvoudig: de bassocontinuopartij moest gecomponeerd worden. De altvioolpartij zal stellig zoals de rest van de strijkerspartijen colla parte met de respectievelijke zangpartij, de tenor, gegaan zijn. Deel 1 leverde veel meer problemen op. Wanneer men vooral de eerste bladzij hiervan in de Nieuwe Bachuitgave ziet (zie afbeelding) kan men begrijpen dat hier substantieel werk te doen was. Door middel van analyse van wat er overgeleverd is in de koor- en viool 1 + 2-stemmen, konden voorzichtig diverse lege maten ingevuld worden. Een creatief proces begon met het componeren van wat weg was in de toch wel heel eigen stijl van dit stuk. Het doorspelen van mijn eerste versie gebeurde tijdens de Hohe Messe-tournee in maart 1997 en leverde veel stof tot nadenken op. Minke Hylarides had mijn nagenoeg onleesbare partituur met behulp van de computer nauwkeurig uitgewerkt. Bij de repetities in april 1997 voor de concerten en opnames van Bach Cantates deel VI probeerde ik nog diverse alternatieven uit.

Dc 'Koopman-versie' ligt nu vast op de band voor Volume VI van de Cantate-serie die begin 1998 zal verschijnen. Wij speelden mijn versie voor het eerst in april 1997. Ik hoop dat Bach niet al te ontevreden zal zijn over mijn werk."

Ton Koopman - juni 1997




.




Handschriftenonderzoek Bach



Helaas is dit stuk nog in voorbereiding....




Jan Siemons

.



Johann Sebastian Bach
Markus Passion




J.S.Bach schreef behalve de Matthëus- en de Johannes Passion ook een, helaas verloren gegane, Markus Passion. Deze werd in 1731 gecomponeerd en uitgevoerd op tekst van Picander.
Alleen de tekst ervan bleef bewaard. Talrijk zijn de pogingen geweest om deze passion terug te vinden. Helaas zal ze wel voor altijd verloren gegaan zijn, zoals vele andere verdwenen werken van Bach.


Het blijkt mogelijk een poging te doen om deze Markus Passion te reconstrueren, gebruik makend van een procedé dat Bach en veel van zijn tijdgenoten regelmatig toepasten, parodie genaamd. Het betekent dat bepaalde koren, aria's etc. hergebruikt worden in andere werken van de componist. De duidelijkste voorbeelden hiervan bij J.S.Bach zijn het Weihnachts Oratorium en de Hohe Messe. Bach hergebruikte bijvoorbeeld in dit laatste werk zelfs een gedeelte van één van zijn vroegste cantates.

Zoals bij het Weihnachts Oratorium, werden vaak koren, duetten en aria's uit wereldlijke cantates geïncorporeerd in geestelijke cantates en oratoria en meestal van een geestelijke tekst voorzien. Wanneer dit uitgeprobeerd wordt op de Markus Passion, blijkt het mogelijk om de koren en aria's in diverse werken terug te vinden, omdat de tekst van Picander er qua inhoud en versvoeten goed of excellent op past. Het is niet ondenkbaar op deze wijze een groot gedeelte van de echte Markus Passion terug te vinden, zonder dat we dat zelf ooit zeker zullen weten. In de Bachwerken zijn de koralen in zo grote mate aanwezig, dat ook daar de problemen oplosbaar blijken.

Er blijft slechts één groot probleem over: Bach hergebruikte nooit een recitatief. Die zijn dus voor altijd verloren gegaan. Mogelijke oplossingen zijn om ze te lenen van andere componisten, ze te laten declameren of ze zelf te componeren. Dit laatste heb ik gedaan, hopend dat met de ervaring van het grote Bach Cantate project dat we nu voor Erato opnemen, Bachs taal steeds evidenter en begrijpelijker wordt.
Het is een risicovolle opgave om Bach's geniale werken aan te vullen, maar er is geen keus. Bovendien heb ik voor de koren, aria's en duetten volledig andere Bachwerken benut dan mijn voorgangers.

Ik hoop dat Bach met deze leerling gelukkig zou zijn.


Ton Koopman - juni 1998












Georg Friedrich Händel - De Orgelconcerten Opus IV


1. Inleiding
In 1984 heeft Ton Koopman met zijn Amsterdam Baroque Orchestra opnames gemaakt van de Orgelconcerten die Händel schreef. De opnames zijn in 1986 door Erato uitgebracht onder nummer ECD 88136. Het geheel beslaat 3 uur - 26 minuten - 53 seconden muziek!
In vervolg op deze uitgave wordt de muziek door de firma Breitkopf & Härtel te Wiesbaden in druk uitgegeven. De editie van de concerten opus VII is op dit moment al beschikbaar en aan die van opus IV wordt hard gewerkt. Ter voorbereiding ervan heb ik op verzoek van Ton Koopman en Breitkopf nog eens de meest originele handschriften doorgenomen en in een werkpartituur aangegeven wat precies de oorspronkelijke uitvoeringsaanwijzingen van Händel zijn en welke er door kopiisten en uitgevers aan zijn toegevoegd. Aan de hand daarvan heeft Ton Koopman nauwkeurig aangegeven welke aanwijzingen hij gevolgd heeft en welke hij heeft toegevoegd in de bedoeling van de componist zoals hij dat interpreteert. Het volgende beoogt een klein verslag te geven van die voorbereidende fase.

2. Opus IV en de Handschriften
Händel was gewoon zijn composities duidelijk te dateren. Zijn orgelconcerten schreef hij om ze te spelen tijdens de uitvoering van zijn oratoria. Daarbij is bekend bij welke oratoria elk concert werd gespeeld. Al met al ligt de tijd van ontstaan van deze muziek en de eerste uitvoering ervan duidelijk vast. Georg Friedrich HandelTer begeleiding van de CD-opname schreef Ton Koopman: "George Frederic Händel was not only a great composer. He was also a first-class organist and harpsichordist. Indeed, he wrote abundently for both instruments. Händel’s organ concertos proved very popular with contemporary audiences. Their original purpose was to provide interludes for his oratorios, the solo part being played by Händel himself."

Naast de autografe partituren van opus IV bestaat er ook een uitgave in druk van J.Walsh te London. In het voorwoord van deze uitgave staat onder meer: "These Six Concertos were Publish’d by Mr. Walsh from my own Copy Corrected by my Self, and to Him only I have given my Right therein." Dat was in 1738. Op grond van deze zinsnede zijn zowel deze uitgave in druk als de autografe partituur belangrijk voor het onderzoek. Daarnaast zijn er nog een aantal afschriften uit dezelfde periode die ook een authentiek licht werpen op de uitvoering van de concerten. Voor het onderzoek konden we dus beschikken over zo’n vier tot zes manuscripten voor ieder concert.
Wat is er nu vanuit de handschriften te zeggen over de uitvoering van deze muziek? Daarover gaat het in de volgende paragraaf.

3. Uitvoeringsaanwijzingen
Eén van de belangrijkste punten is, denk ik, het feit dat in de 17e en 18e eeuw muziek in eerste instantie werd gecomponeerd voor eigen gebruik. De musici speelden de muziek vrijwel altijd onder leiding van de componist. Dat betekende dat voor de uitvoering vooral de mondelinge aanwijzingen een rol gespeeld zullen hebben. In de muziek zelf vastgelegde aanwijzingen kwamen toen nog weinig voor. Die gewoonte ontwikkelde zich pas in de 19e eeuw. Uitvoering van muziek uit de Barok is daarmee altijd weer een speurtocht, zo u wilt een avontuur! Wat zou de componist hier bedoeld hebben? Wat was de gewoonte in zijn tijd?

De muziek van Händel is wat dit betreft geen uitzondering. In de autografe partituren staan niet veel aanwijzingen. Bijvoorbeeld: bogen om de muzikale zinnen aan te geven zijn er niet. Het is de taak van de speler om die te ontdekken. Wat Händel wel aangeeft zijn bogen voor de articulatie, de bezetting, belangrijke accenten en versieringen. Dynamische aanwijzingen ontbreken evenmin. We zullen in het kort deze punten voor Opus IV nagaan.

a. Bezetting
- Hobo 1 en 2 / viool 1 en 2 / viola (= altviool) / orgel / continuo - de volgorde conform de autograaf van Concerto 1
- De samenstelling van het continuo is niet gegeven. Daarvoor zouden we te rade kunnen gaan bij de uitgave van J. Walsh uit 1738. Die uitgave was immers persoonlijk door Händel gecontroleerd en gecorrigeerd. In deze uitgave heet de continuo-partij Basso. De Basso is becijferd en kent aanwijzingen als "tasto solo", bedoeld voor een toetsinstrument. Ook de orgelpartij is becijferd, maar deze cijfers komen niet volledig overeen met die van de Basso: de Basso is uitgebreider becijferd, maar beslaat alleen de tutti passages. De orgelpartij daarentegen kent zowel de tutti als de solodelen en daarvan zijn vooral de eerstgenoemde passages becijferd. Het lijkt dus logisch te veronderstellen dat er naast het solo-instrument ook een continuo-instrument heeft meegespeeld in de tutti-delen. Of dat een orgel is geweest of een klavecimbel, is, afgezien van het vierde concert (zie later), niet te achterhalen. Ton Koopman opteert voor een orgel. Wel kunnen we er van uitgaan dat als strijkinstrument een cello heeft meegespeeld.
In de partij van Walsh staat ook aangegeven "Basso in ripieno": een contrabas die zwijgt in de ripieno-delen. In het 3e concert geeft Händel in de autograaf duidelijk aan dat er sprake is van een contrabas. Daar lezen we in deel 1 maat 3: (gecorrigeerd) "Contrabasso e Organo piano". Maar in de Walsh editie, die door de componist zelf geaccordeerd is, heeft de Basso rust op die plaats en wordt alleen vermeld "Organo piano". Als algemene regel kan dan gehanteerd worden dat de contrabas meespeelt in alle tutti-delen.
- Op een enkele plaats in één der handschriften staat de opmerking "Organo e tutti Bassi". Daaruit zou geconcludeerd mogen worden dat er sprake kan zijn van een fagot. Ton Koopman stelt dan ook voor een fagot te laten meespelen en de fagot steeds tegelijkertijd met de hobo’s te laten spelen.
- In het 4e concert heeft oorspronkelijk een klavecimbel meegespeeld, want in deel 2 maat 4 van de autograaf staat "senza cembalo".

b. Articulatie
Zoals gezegd, is het aan de speler om te ontdekken wat de muzikale zinnen zijn en waar de muzikale accenten liggen. Gelukkig is het zo dat men in Barokmuziek, net als in teksten, gebruik maakte van leestekens. Bogen (zij het summier), versieringen en dynamiek worden aangegeven, hoewel meer in de langzame delen dan in de snelle delen. Het betekent dat de speler een goede algemene kennis van de uitvoeringspraktijk van de Barokmuziek moet hebben.

c. Organo ad libitum
De concerten van Opus IV hebben geen van alle een vrije cadens. Wel is er in de historische uitgaven een aantal plaatsen met de aanduiding "Organo ad libitum". Op die plaatsen improviseerde Händel, die zelf de solopartij speelde, de tussenliggende maten. In de bijlagen voor de Breitkopf-editie zal Ton Koopman voor die momenten improvisatie-suggesties geven.

d. Alleluia koor als afsluiting van Opus IV / 4
In de allereerste versie is er aan het einde van het concert door de componist een Alleluia toegevoegd, dat berust op thematisch materiaal van het 4e deel. In latere instantie is er evenwel een ander slot gecomponeerd en vervalt het Alleluia. Het Alleluia is alleen te vinden in de oorspronkelijke versie van de autograaf en komt in geen der andere bronnen voor. In de uitgave van Breitkopf zal het vermoedelijk niet worden opgenomen.

e. Concert nummer 5
- Het 5e concert is een bewerking van een sonate voor blokfluit en continuo - HWV 369, Opus I / 11 in F-dur.
- Een autografe partituur voor het orgelconcert ontbreekt.

f. Concert nummer 6
Dit concert is een transcriptie van een Concerto per la Harpa. Het is als harpconcert geschreven voor de uitvoering tijdens Alexander’s Feast (HWV 75). Het zou daarin het harpspel van de Griekse zanger Timotheus moeten onderstrepen. Voor de uitgave van Walsh in 1738 wees Händel de solopartij toe aan orgel.

4. Conclusie
Van alle zes orgelconcerten staat vast dat zij waren bedoeld als intermezzo tijdens uitvoeringen van Händels oratoria. Sommige aanwijzingen in de handschriften zijn consequent en duidelijk, bijvoorbeeld de algemene bezetting, de tutti en ripieno aanwijzingen en de dynamische aanduidingen. Articulatiebogen komen niet vaak voor. Een aantal accenten is wel duidelijk aangegeven.
Orkestmateriaal, in urtext, bestond tot voor kort (sinds de 18e-eeuwse Walsh editie) niet. Om deze heerlijke speelmuziek te kunnen uitvoeren is daarom, naast de bestaande cd-opname, een moderne uitgave meer dan nodig.


Jan H. Siemons - juli 1999